Het begon in Uden, 1989

College van het heilig kruis 1960

Het moet 1959 geweest zijn dat ik in Uden terecht kom, aan huis geronseld door Ton Lafeber bij een kop koffie en mooie verhalen. Ik hou van rondzwerven in de weilanden en polders aan de rand van Overschie. Wij wonen in de eerste prefab betonnen flats van na de oorlog. Er staan verlaten en vervallen dijkhuisjes langs de Schie, ons speelterrein. Wat moet ik, 12 jarige, in hemelsnaam in Uden, in dat klein-seminarie van het heilig kruis?

Ik voel me eenzaam tussen die horde jongens, hun pubertijd strak onder controle gehouden door een merkwaardige verzameling Kruisheren. Ik kan best mee met pesten van de geschiedenisleraar, doorzoeken van de kelders, voetballen op het veldje achter de cour. Dat zijn de afleidende momenten.

Vreemde lege klassen

Ik herinner me een woensdagmiddag in de Bedafse Bergen, zandheuvels buiten het dorp. Een nogal dikke jongen laat vol trots zien hoe groot zijn pik is. Ik mag hem ook vasthouden. Ik ren zo hard mogelijk weg met de schrik in mijn benen.

September 1962 begint voor mij de vierde klas. Een opvallend groot aantal jongens is niet teruggekomen van de zomervakantie. Ik voel me nog vreemder dan daarvoor. Later hoor ik dat zij weggestuurd zijn vanwege -laat ik het maar noemen – dikke jongen handelingen.

Weer thuis

September 1962 begint voor mij de vierde klas. Een opvallend groot aantal jongens is niet teruggekomen van de zomervakantie. Ik voel me nog vreemder dan daarvoor. Later hoor ik dat zij weggestuurd zijn vanwege -laat ik het maar noemen – dikke jongen handelingen.

Na de kerstvakantie van dat jaar zit mijn vader ineens in dat spreekkamertje naast de hoofdingang. Ik kan mijn boeltje pakken. Hij neemt mij mee naar huis. Ik stomverbaasd, bijna verslagen. Hij vindt dat ik niet genoeg gemotiveerd meer ben om priester te worden. Dat tekent wel mijn vader, misschien wel veel vaders uit die tijd: mijn wil staat achter de deur.

(Uit latere reconstructie blijkt dat het niet om mijn motivatie ging. Heeroom Frans was overleden. Die financierde voor mij het seminarie en voor mijn broer het juvenaat. Dat hield toen op.)

Armando en Schippers

Een week later zit ik op het St. Franciscus College in Rotterdam. Dat wordt een fiasco. Het sluit totaal niet aan op het seminarie, niet met de leerstof en niet met de cultuur. In klas 5B geef ik er de brui aan. Ik zit liever in de kroeg dan in de klas en wordt weggestuurd. Pa en ma in paniek!

Mijn vader regelt een baantje in een grote drukkerijfabriek. Krullenjongen in tweeploegendienst. ’s Ochtends om 5 uur op de fiets van Overschie naar Rotterdam-Zuid. Of ’s avonds laat nog even de kroeg in onderweg. Ik kan een interne opleiding krijgen om manager te worden. Maar na een psychologische test lijkt het -weer mijn vader- beter dat ik naar de Grafische School in Utrecht ga.

Dat is een schot in de roos, een fantastische tijd. Niet zozeer de technische vakken boeien me maar grafische vormgeving, fotografie van Ata Kando en kunst. Ik ben dikwijls in de galerie van Armando en Wim Schippers te vinden in de Neudeflat. We zijn een hechte vriendenclub met welgeteld één vrouw. (Drie jaar geleden hadden we een reünie bij haar thuis. Het was alsof al die jaren er niet tussen hadden gezeten.)

In het tweede jaar daar overlijdt mijn vader aan een hartaanval. Ik ben al met de trein naar school en kan direct weer terug. De uren en dagen daarna zal ik niet gauw vergeten. Niemand is bedroefd, mijn moeder niet, mijn 3 broers en zus niet en ik, de oudste, ook niet. Integendeel, we zijn opgelucht. Jaren spanning vallen ineens van ons af.

Een bizarre tijd

Mijn leven loopt uit de rails. Ik trouw met een veel te lieve vriendin, een excuus om uit huis te gaan, om vier jaar later te scheiden. Ik schrijf me in voor de Sociale Academie in Rotterdam, zet de boel daar op stelten en verbrand met een vlammend protest mijn diploma tijdens de uitreiking.

De slechte verhouding met mijn vader heeft me een heftig autoriteitsprobleem bezorgd. Ik kan geen ‘baas’ verdragen, dus uit angst word ik noodgedwongen ZZP’er. Ik rol van het ene bed in het andere en van de ene opdracht in de andere, afgewisseld met uitzendbureaus en bijstand. Een bizarre tijd met duistere kanten.

Ontmoeting met boeddhisme

Norbu Rinpoche met Sogyal

Daar komt abrupt een eind aan in 1982. Ik schrijf regelmatig artikelen voor een new-age blad, dit keer over stervensbegeleiding. Dat brengt me bij Sogyal Rinpoche, een Tibetaanse leraar. Hij geeft een week lang cursus over het Tibetaans Dodenboek. In de zomer ga ik naar zijn retraite in Zuid-Frankrijk, drie weken.

Op de terugweg wip ik nog even aan bij een andere Tibetaan, lama Gendung Rinpoche. Daar gebeurt het. In de begroeting vlieg ik uit mijn lijf, buitel rond in de lucht en glij terug. Mijn leven staat weer op de rails.

Terug in Nederland krijg ik een groot huis aangeboden, Anne-Marie, met wie ik nu nog steeds getrouwd ben, wordt letterlijk op mijn pad gestuurd, we krijgen twee kinderen en beginnen met veel succes een therapiepraktijk.

Gevallen, opgestaan en verder gegaan

In 1988 halen we het in ons hoofd om naar Frankrijk te gaan. Het idee is om een bestaand centrum te laten uitgroeien tot een internationaal spiritueel centrum. Dat mislukt dramatisch. Een dik jaar later zijn we weer terug, totaal berooid. Je leert dan wel je echte vrienden kennen. En ik mijn eigen hoogmoed.

Vrienden helpen mij om mijn weg te vinden in het bedrijfsleven als trainer, coach en organisatieadviseur. Ik werk voor belastingdienst, politie, douane, gemeenten, zorginstellingen en kleine ondernemingen. Niet echt mijn ding. In 1999 word ik gevraagd om ondernemingsraden te trainen en te adviseren. Een stuk leuker. Dat doe ik tot de subsidies daarvoor wegvallen en het werk snel opdroogt. Ik word gered door de maandelijkse aow, net op tijd 65 jaar!

Na Frankrijk wonen we in Zutphen. Hannah en David groeien daar op tot ze naar de universiteit gaan. Hannah is inmiddels hoogleraar in Wageningen. David haalt zijn Phd in Grenoble, doet vier jaar een postdoc kwantummechanica in Kopenhagen en werkt nu in Illinois/VS bij Fermilab. Ik ben een trotse vader.

De luie boeddhist

Als ZZP’er werk je en werk je, 24 uur per dag. Veel tijd voor hobby’s is er niet of gun ik mij niet. Twee dingen wel. Ik ben in Zutphen lid van de commissie ontwikkelingssamenwerking van de gemeente, waarvan 4 jaar voorzitter. Veel leer ik daar over ontwikkeling en financiering van projecten in arme landen. Dat werk heeft echt mij hart.

Sinds de ontmoeting met Sogyal Rinpoche verbind ik mij met het boeddhisme. Dat zegt niet zoveel want bestaat uit een bonte verzameling scholen en richtingen. Ik voel me het meeste thuis bij Dzogchen, wat ik gemakshalve maar onjuist de Tibetaanse variant van Zen noem. Die verbondenheid bestaat uit mediteren, studeren en soms nog meditatielessen geven, online of offline. Daarvoor heb ik deze website, You-Tube en Facebook. Als luie boeddhist kan daar voorlopig nog wel even mee vooruit.

Ik woon sinds 2012 met Anne-Marie in Doorwerth, met bossen en uiterwaarden om de hoek. Nu maak ik wél tijd om te wandelen en te genieten van de prachtige natuur om ons heen. We hebben zo’n drie middagen de zorg voor de kleinkinderen, wat absoluut een genot is. Een gelukkig leven.

Aan de IJssel
Scroll naar boven