Het is lang geleden, maar blijft een wonder, toen bij Gouda.
Ik heb haast, veel haast. In Harderwijk zitten binnen een uur mensen op mij te wachten. Maar door een verkeerde blik in mijn agenda rij ik nu langs Gouda. Bij het tankstation scoor ik snel een broodje voor onderweg, ik spuit de A12 op om vervolgend in de file te belanden. Harmonicaverkeer, om de minuut kun je even snel optrekken, een paar meters maken en dan sta je weer stil.
Ik neem een hap van mijn broodje, let even niet op en zie in mijn ooghoek de Mercedes voor mij akelig dichtbij komen. Van de schrik gooi ik mijn stuur om naar links, knal tegen de vangrail, caramboleer terug tussen de auto’s door over de tweede en eerste rijbaan, maak nog een spin tot ik uiteindelijk door de rechter vangrail gestopt wordt. Het hele gebeuren zie ik ondertussen in slow motion aan mij voorbij trekken. Ik stap uit, mijn benen beginnen heftig te trillen.
Ik bel naar huis en zeg Harderwijk af. Daar ben ik nooit meer geweest. Ik ben ongedeerd. De auto total-loss. Dan sta je daar, wachtend op de sleeptruck, het verkeer sluipt als een sissende slang langs je heen. Ik voel me licht en onwezenlijk en besef ineens dat ik een engeltje op mijn schouder moet hebben. Zelf ongedeerd, geen andere auto geraakt, hoe is dat mogelijk?
De sleeptruck komt eraan, een klein auto’tje is al eerder opgehaald, totaal in de kreukels. In de cabine kom ik naast de bestuurder daarvan te zitten. Hij jammert: ‘Ik weet niet wat ik moet doen (snik) hij is net nieuw (snik) betaald door mijn gemeente (snik). “Dominee,” want dat bleek hij te zijn, “Ben je niet blij dat je nog leeft en niets mankeert”
Een paar maanden later krijg ik een factuur van Rijkswaterstaat. €3000 om de vangrail te repareren. Ik betaal met plezier en veel dank aan het engeltje op mijn schouder.



